‘DCIM vraagt om industriestandaard voor interoperabiliteit’

Als iemand tijdens een groot datacentercongres een presentatie verzorgt met als titel ‘Why DCIM has failed?’ dan trekt dat uiteraard de aandacht. Barry Shambrook – bekend van onder andere BICSI UK – was duidelijk in zijn boodschap: we hebben DCIM nodig, maar tot nu toe lukt het nauwelijks om iets nuttigs te doen met ‘datacenter infrastructuur management’. Waarom? Omdat de ‘business value’ van DCIM vaak onduidelijk is, doordat datacenter managers vaak geen idee hebben welke delen van hun datacenter nu van cruciaal belang zijn voor de business. Bovendien is het erg lastig om de vaak uit talloze merken en fabrikanten opgebouwde infrastructuur als één geheel te beheren. We hebben dus ook nog eens behoefte aan een industriestandaard om tot interoperabiliteit te komen. 

Wellicht had de titel van zijn presentatie beter kunnen zijn ’Why has DCIM failed? And how can we make it succeed’, vertelde Shambrook een paar dagen na zijn voordracht. Want we zien wel degelijk dat het aantal datacenters dat met DCIM aan de slag is groeit. De cijfers kloppen wellicht niet 100 procent, zo vertelde Shambrook, maar de trend wel: in 2012 hadden wereldwijd 4.290 datacenters DCIM ‘op een of andere manier’ operationeel, in 2016 lag dit aantal op 18.380. Maar als we kijken naar het percentage datacenters dat op een serieuze wijze met DCIM bezig is, dan ziet Shambrook dat de adoptie niet groeit: in 2012 lag dit percentage op 0,23% en in 2016 op 0,25%. Waarbij ‘serieus’ in dit geval gedefinieerd is als: datacenter met meer dan 100.000 dollar aan investeringen in DCIM.

Doel van het datacenter

Om duidelijk te maken wat er dan precies fout gaat rond DCIM, zette Shambrook even een stapje terug: waar is een datacenter ook al weer voor bedoeld? Dat is (uiteraard) het faciliteren van hardware voor gegevensverwerking, opslag van data en het transport van die data. Wat hebben we daar voor nodig? Een veilige omgeving (inclusief security), capaciteit (ofwel ruimte, energie, koeling en connectiviteit) en een efficiënt gebruik van energie. Met als overkoepelende doelstelling: het datacenter bestaat om de business te ondersteunen.

Figuur 1. Wat kunnen we met DCIM beheren?

Terug naar DCIM. Wat kunnen we daarmee? Zoals uit figuur 1 blijkt kunnen we hier vooral de capaciteit van zalen en racks mee beheren, evenals de verplaatsingen, toevoegingen en andere veranderingen daarin plus de levenscyclus en het onderhoud van alles wat in die zalen en racks is geplaatst.

Integratie pure noodzaak

Als we dat verder uitsplitsen, dan komen we tot een schema als in figuur 2. Hiermee kunnen we vaststellen welke vorm van beheer in het datacenter een unieke toegevoegde waarde heeft voor de business, de organisatie waar we het immers allemaal voor doen in het datacenter. Dan wordt al snel duidelijk dat vrijwel alle beheertaken nauwelijks directe waarde aan die business leveren. Alleen bij integratie van het beheer van de facilitaire laag en de IT-laag zien we wél een duidelijke toegevoegde waarde, meent Shambrook.

Figuur 2. Met DCIM kunnen we veel beheren. Maar voegt dit daadwerkelijk waarde toe?

We kunnen daar ook anders naar kijken. Bijvoorbeeld vanuit het perspectief van de eigenaar of de gebruiker (‘tenant’) van het datacenter. Wat voegt dan een goed gestructureerde vorm van beheer voor deze twee groepen toe? Dat is te zien in figuur 3. Dan zien we met name als het gaat om het energieverbruik per rack en wederom bij integratie van facilitair en IT een toegevoegde waarde. Als we een dergelijk schema opstellen vanuit het perspectief van de business manager, dan zien we eenzelfde resultaat.

Figuur 3. Welke managementtaken die we met DCIM kunnen uitvoeren zijn belangrijk voor eigenaren of gebruikers van datacenters?

Als er kennelijk twee factoren zijn waar alle betrokkenen zoveel waarde aan hechten – lager energieverbruik en integratie – waarom lukt het dan niet om hier met DCIM op succesvolle wijze op in te spelen? Dat heeft te maken met de taken van met name de twee technische disciplines – IT en facilitair – die in het datacenter actief zijn. Het IT-team is vooral geïnteresseerd in het aanbieden aan de business van IT-diensten. Terwijl het facilitaire team vooral gericht is op efficiency in de infrastructuur en op het robuust houden van die infrastructuur. Dat zijn twee hele verschillende doelstellingen.

If-that-then-voorbeelden

DCIM dient het ons mogelijk te maken om te komen tot een beheer waarbij deze verschillende doelstellingen overbrugd worden. Shambrook noemde daar wat voorbeelden van die hij typeerde als ‘if-that-then’.

Voorbeeld 1:

  • If: beveiligingscamera’s beweging in een datazaal zien
  • That: betekent dat er iemand op zaal is
  • Then: hou dan de lichten aan tot drie minuten nadat de laatste beweging is waargenomen

Dat is al een aardig voorbeeld van integratie, al hebben we het vooral over functies op de facilitaire laag. Het kan nog veel beter, meent Shambrook:

Voorbeeld 2:

  • If: het netwerkverkeer toeneemt
  • That: betekent dat de IT-workloads voor servers en storage-apparatuur hoogstwaarschijnlijk gaan toenemen
  • Then: zorg voor extra energie en koeling

Dan integreren we al over beide lagen heen.

Tenslotte nog een voorbeeld:

Voorbeeld 3:

  • If: de totale load van de A- en B-voedingen de capaciteit van een zekeringsautomaat overstijgt
  • That: betekent dat de zekering de load niet aan kan als een van beide voedingen een storing vertoont
  • Then: verstuur een alarmering

Betere alarmeringen

Een van de belangrijkste voordelen van het geïntegreerd monitoren en beheren van IT en infra is dat er een veel beter systeem van waarschuwingen en alarmeringen kan ontstaan. Zo kunnen we groepsalarmen gaan instellen waarin zowel IT-medewerkers als facilitaire functionarissen zijn opgenomen. Daardoor kunnen zij gezamenlijk een probleem oplossen in plaats van volledig gescheiden van elkaar. Hierdoor kunnen we ook een beter begrip ontwikkelen van de impact van de storing op beide lagen en wat eventuele oplossingen te bieden hebben. Soms kan immers iets wat voor een IT-professional als een perfecte oplossing voor een storing geldt, volstrekt onverwachte en negatieve gevolgen hebben voor de infralaag en andersom.

Ook kunnen we veel beter alarmeringen in categorieën indelen. We hebben bij een integraal beheer immers een veel beter zicht op de gevolgen van een (dreigende) storing op de business. Kijk dan bijvoorbeeld naar een indeling in prioriteiten als ‘algemene waarschuwing’, ‘kritische waarschuwing’ en ‘noodsituatie’ als bijvoorbeeld een cruciaal bedrijfsproces van de business in gevaar komt door een bepaalde storing. De reactie op zo’n indeling van waarschuwingen kan dan goed afgestemd worden op de gevolgen van het incident voor de business. Net als de prioriteit die het verhelpen van de storing ten opzichte van andere werkzaamheden dient te krijgen.

Alarmeringen vastleggen

Het is bovendien verstandig om dit soort waarschuwingen vast te leggen, inclusief de oplossing die gevonden is. Leg ook de impact die de storing daadwerkelijk had vast, evenals het maximale effect dat het incident in een worst scenario had kunnen hebben. Hierdoor ontstaat een systeem waarbij beheerders aan zowel de facilitaire kant van het datacenter als van de IT-laag een beter begrip ontwikkelen van de onderlinge afhankelijkheid van infra en IT. Het lerend vermogen van de beheerders neemt hierdoor drastisch toe.

Industriestandaard

DCIM kan hierbij een van de bronnen zijn die ‘if-that-then’-scenario’s voedt. Maar het kan ook de waarschuwingen en alarmeringen zichtbaar maken in een dashboard, terwijl het tevens inzicht kan geven in de impact van een storing op de business. Daarvoor is het echter wel nodig dat alle systemen en componenten die we met DCIM willen beheren ook in staat zijn om monitoringsinformatie af te geven. En bovendien in een format dat door het DCIM-pakket begrepen wordt.

Interoperabiliteit is dus dé sleutel tot het succesvol gebruiken van DCIM. Tot nu toe zien we echter dat het nog zeker niet mogelijk is om alle systemen en apparaten die we geïntegreerd willen beheren ook daadwerkelijk onder één managementparaplu te brengen. Wat Shambrook tot de uitspraak bracht: “Hebben we niet een industriestandaard op dit gebied nodig?” Zodat straks al deze systemen en installaties wél met elkaar kunnen ‘praten’.

Vergeet training niet

Maar laten we vooral niet achterover leunen en afwachten tot een industriestandaard beschikbaar is. Ook nu al kunnen we grote stappen voorwaarts maken. Bijvoorbeeld door niet alleen DCIM te implementeren, maar de mensen die verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse operatie in een datacenter ook goed te trainen in het gebruik van deze software.

Een ander advies van Shambrook: probeer niet in een keer een volledige DCIM-implementatie te doen. Deel een project liever op in modules, waarbij er een duidelijke stelregel is: begin bij die modules die de meeste ‘business value’ opleveren.

Laatste tip van Shambrook: gebruik DCIM om tot een integrale aanpak van het beheer van zowel IT als facilitair in het datacenter te komen. De ‘if-that-then’-voorbeelden die eerder in dit artikel zijn genoemd, geven al een aardig idee wat dan mogelijk is.

Robbert Hoeffnagel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *