Hoofdrol voor Nederlandse startup Asperitas tijdens Cloud Expo Europe Londen

De Nederlandse cleantech-startup Asperitas heeft de Cloud Expo Europe en Data Centre World die medio maart in Londen werd gehouden, aangegrepen voor het lanceren van zijn eerste product. Het gaat om de AIC24, dat gebruik maakt van een concept waarbij vloeistofkoeling is geïntegreerd. Maar er gebeurde meer in Londen. Zo ontstond tijdens het conferentieprogramma een interessante discussie tussen voor- en tegenstanders van DCIM en verzorgde Finisar een update over de laatste trends op het gebied van optische communicatie.

Het traditiegetrouw door veel Nederlandse datacenterspecialisten bezochte Data Centre World en Cloud Expo Europe was dit jaar in omvang nagenoeg verdubbeld ten opzichte van 2016. Ook het aantal bezoekers is fors gegroeid ten opzichte van eerdere edities. Een duidelijk teken dat de datacenter-industrie in West-Europa nog altijd een stevige groei doormaakt.

Asperitas Immersed Computing

Voor het in Haarlem gevestigde Asperitas was dit event dan ook een logische keuze om voor het eerst met de zelf ontwikkelde AIC24 naar buiten te komen. Tijdens een drukbezocht launch event konden bezoekers voor het eerst kennismaken met het fenomeen ‘Immersed Computing’. De oplossing maakt gebruik van een concept waarin vloeistofkoeling is geïntegreerd, ook wel ‘Immersed Computing’ genoemd. Aan de lancering is een periode van anderhalf jaar R&D met een ecosysteem van internationale partners vooraf gegaan.

De AIC24

De AIC24 is het eerste met vloeistof gekoelde systeem dat gebruik maakt van natuurlijke convectie. De AIC24 is een gesloten, plug & play-module waar de ondersteunende infrastructuur zoveel mogelijk in is geïntegreerd. Het resultaat is een duurzame totaaloplossing. Hiermee kan volgens Asperitas de energie-footprint van IT en infrastructuur minimaal met 50% worden gereduceerd, terwijl tegelijkertijd de IT-efficiëntie wordt geoptimaliseerd. Hergebruik van warmte wordt dankzij deze aanpak een serieuze optie, doordat de AIC24 warmte afvoert in de vorm van warm water.

De modulaire AIC24 is ontworpen om operationele flexibiliteit echt mogelijk te maken, vertelde marketing manager Maikel Bouricius tijdens de launch. Een stroom- en wateraansluiting en connectiviteit is de minimale infrastructuur die nodig is. De oplossingen van Asperitas maken het mogelijk om op eenvoudige wijze een high density-omgeving te creëren, tot 22 kW IT load per module.

Business benefits

Asperitas heeft de AIC24 ontwikkeld voor de cloud-markt, voor IaaS en PaaS providers, maar levert ook voordelen op voor datacenter operators en de cloud providers, meent Bouricius. Datacenter operators halen voordeel uit de sterke reductie van energie-kosten, het optimaal gebruik dat van de beschikbare fysieke ruimte kan worden gemaakt en de beperkte eisen aan het gebouw en de facilitaire installaties.

Cloud providers zijn vooral enthousiast over de high density mogelijkheden, meent hij. Maar kijken natuurlijk ook naar de vermindering van energiekosten en het optimaliseren van de IT-hardware. Hierdoor is een reductie van de kosten voor software-licenties mogelijk. Daarom spreekt Asperitas van een totaalconcept, waarin vloeistofkoeling is geïntegreerd en niet van een koeloplossing op zichzelf.

Energie-efficiënte infrastructuur

Asperitas is ontwikkeld om energie-efficiënte cloud-omgevingen te creëren die overal operationeel zouden moeten kunnen zijn. De plug & play-module heeft beperkte installatie-eisen en is ook veel minder klimaat-afhankelijk dan met lucht gekoelde datacenters. De missie van Asperitas is om echt duurzame datacenters mogelijk te maken, vertelde Bouricius in Londen. Onafhankelijk of dat bijvoorbeeld in Nederland, Spanje of Zweden is.

Immersed Computing is een door Asperitas ontwikkeld concept en een combinatie van nieuwe technologie en een nieuwe manier van werken. Het concept komt voort uit drie datacenter industrie uitdagingen: duurzaamheid, efficiëntie en flexibiliteit. Total liquid cooling staat aan de basis van de oplossingen van Asperitas. Wat de technologie uniek maakt is de methode van natuurlijke convectie. Met als gevolg minimalisering van facilitaire infrastructuur en benodigde koelinstallaties.

To DCIM or not to DCIM?

Interessant in het conferentieprogramma van Cloud Expo Europe en Data Centre World was een discussie die ontstond doordat zowel voorstanders als tegenstanders van het toepassen van DCIM aan het woord kwamen. Waar sommige sprekers zich vooral richtten op praktijkervaringen en tips gaven hoe Datacenter Infrastructure Management snel en efficiënt kan worden ingevoerd, bleken andere sprekers minder positief. DCIM werd tijdens deze presentaties vooral gezien als té groot en té complex.

De voordelen die voorstanders zien komen volgens deze sprekers – waaronder Barry Shambrook van BICSI – pas naar voren als DCIM volledig is geïmplementeerd. Zeker bij een wat grotere organisatie is dit echter een proces dat veel tijd, energie en – dus – geld kost. Wegen de voordelen dan nog wel voldoende op tegen de nadelen, vragen zij zich af. Daarmee haakten zij in op een discussie die ook in ons land wordt gevoerd: wanneer is monitoring van individuele systemen en componenten voldoende? En wanneer kunnen we beter overstappen op een vorm van monitoren en beheren die veel meer of wellicht zelfs volledig is geïntegreerd?

Interessant was ook het pleidooi van Andy Lawrence van 451 Research om tot een vergaande integratie van IoT (Internet of Things) en DCIM te komen. Op basis van veelal spotgoedkope sensoren (de inbreng vanuit IoT) is het mogelijk veel meer te meten aan de feitelijke operatie in een datacenter. Al deze data kan worden verzameld en geanalyseerd, waardoor soms onverwachte patronen en relaties zichtbaar worden.

Optische connectoren

Een erg interessante presentatie tenslotte was ‘Latest Trends in Data Centre Optics’ van Tony Pearson van Finisar. Dit Californische bedrijf is niet erg bekend onder datacenter-specialisten, maar speelt al jaren – zeg maar – op de achtergrond een grote rol. Het bedrijf fabriceert en verkoopt circa een derde van alle optische connectoren die (onder andere) in datacenter-toepassingen worden gebruikt. Tot voor kort verkocht men deze echter vooral via switching-leveranciers als Cisco of Juniper Networks. Tegenwoordig richt men zich ook rechtstreeks op cloud providers, datacenter-specialisten en dergelijke.

Pearson gaf in zijn presentatie een overzicht van de ontwikkeling die we momenteel zien waarbij met name de internet-scale datacenters al flink op weg zijn naar het gebruik van 200G en 400G. Bij veel datacenter-gebruikers van iets bescheidener omvang zien we dat met name 25G en 100G nu sterk opkomt, onder andere als gevolg van het feit dat de poortdensiteit sterk toeneemt. Ook ontwikkelen aanbieders als Finisar oplossingen om bestaande fiber-infrastructuren die eigenlijk tot stand zijn gebracht voor 10G-toepassingen toch hergebruikt kunnen worden voor 40G en eventueel ook 100G.

Maar Pearson had ook een waarschuwing: wildgroei. Er zijn zoveel interface-types beschikbaar of in ontwikkeling dat het in zijn ogen voor veel datacenter-managers en -eigenaren steeds moeilijker wordt om door de bomen het bos nog te zien. Hij deed daarom een beroep op de engineering- en adviesbedrijven die netwerkinfrastructuren voor datacenters ontwerpen om hun klanten hier nog beter over te informeren en voor te lichten. Anders is de kans op verkeerde beslissingen en kostbare vergissingen levensgroot, zo waarschuwde hij in Londen.

Robbert Hoeffnagel 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *